De ontdekking van de natuur

Hans Mulder

Hoogtepunten uit de natuurlijke historie
Vanaf de vroege zestiende eeuw verschenen er in Europa steeds meer studies waarin dieren en planten ‘naar het leven’ werden beschreven en verbeeld. In de daaropvolgende eeuwen werd het onderzoek naar de natuurlijke wereld verdiept en werd de kunst om die wonderbaarlijke natuur af te beelden geperfectioneerd.

In De ontdekking van de natuur vindt u twintig prachtige en rijk geïllustreerde verhalen over vogels, insecten, bacteriën, draken en nog veel meer. De beschreven ontdekkingen zijn doorspekt met anekdotes over de bijzondere mannen en vrouwen die er tussen 1500 en 1900 voor hebben gezorgd dat wij het leven om ons heen en dat van onszelf zoveel beter begrijpen. Lees over de draak die in 1572 op een akker bij Bologna werd verslagen, over Van Leeuwenhoek, die met behulp van de door hemzelf gemaakte microscoop bacteriën in zijn eigen tandplak ontdekte. Of over hoe de jonge Charles Darwin tijdens zijn reis met de Beagle inzichten kreeg die de basis legden voor zijn evolutieleer.

Hans Mulder is opgeleid als historicus en werkt als conservator natuurlijke historie van het Allard Pierson, de collecties van de Universiteit van Amsterdam. Hij publiceert over de geschiedenis van het boek en over hoe in de westerse samenleving de kijk op de natuur in de loop der tijd veranderde. Onderwerpen waarover hij ook doceert aan de UvA. Veel van de belangrijkste natuurhistorische handschriften, gedrukte boeken, tekeningen en aquarellen die Mulder in dit boek heeft gebruikt, zijn te vinden in de Artis Bibliotheek, onderdeel van het Allard Pierson.

Uitgever: Terra

Nu ga ik er eens op uit

De natuurkenner Jac. P. Thijsse (1865‒1945) geldt als een fenomeen. Behalve als voorvechter van de natuurbescherming in Nederland werd hij beroemd dankzij de Verkade-albums, die bedoeld waren het grote publiek de liefde voor de natuur bij te brengen. Dat Thijsse ook een dagboek bijhield, is echter nauwelijks bekend.

Nu ga ik er eens op uit bevat de twee oudste en boeiendste dagboekdelen, die de jaren 1884‒1887 en 1894‒1898 beslaan. Thijsse is dan als jonge onderwijzer werkzaam in Amsterdam en vult zijn vrije tijd met lange wandelingen, nabij en in de stad, de Kennemerduinen, maar ook tussen Amsterdam en het Gooi.

De dagboeken van Thijsse zijn echte natuurdagboeken. Anders dan een ‘gewoon’ dagboek, gaan ze niet over de dagelijkse beslommeringen, maar over allerlei planten en het doen en laten van de dieren die Thijsse observeerde tijdens zijn wandelingen. Zijn observaties vulde hij aan met prachtige schetsen en opmerkingen over het weer en het omringende landschap.

Met Nu ga ik er eens op uit verschijnen de oudste natuurdagboeken van Nederland voor het eerst. Deze uitgave is zeer rijk geïllustreerd met Thijsses eigen tekeningen, en met facsimile’s van schitterend kleurenmateriaal uit later werk, gedetailleerde kaarten van de Kennemerduinen, het Vondelpark en andere geliefde plekken.

De goede voorouder

Lange termijn denken voor een korte termijn wereld
Onder alle grote problemen waar de wereld mee worstelt, ligt één kraakheldere oorzaak: we denken alleen aan de korte termijn. In dit urgente en praktische filosofieboek De goede voorouder breekt bestsellerauteur Roman Krznaric het debat hierover open. Hij beschrijft de geschiedenis van dit kortetermijndenken en schetst hoe we verder kunnen kijken dan onze eigen generatie lang is. Krznaric beschrijft een nieuwe manier.

De grote problemen van onze tijd gaan allemaal terug op één ding: we denken alleen aan de korte termijn. Dat denken koloniseert de toekomst. Je ziet het in het bedrijfsleven, de politiek en het persoonlijk leven. Zo ontstaat steeds meer ongelijkheid tussen bevolkingsgroepen en nemen existentiële dreigingen toe. We staan aan de rand van de afgrond.

Toch is er hoop, volgens Roman Krznaric. Om goede voorouders te worden moeten we onder meer onze economie en politiek radicaal omvormen – een enorme opgave. Maar onder die ambitieuze doelen ligt iets wat we zelf kunnen doen: onze kortzichtigheid inruilen voor langetermijndenken. Krznaric onthult zes praktische manieren om onze hersenen hierin bij te scholen. Dan verschuiven we de loyaliteit van onze eigen generatie naar de hele mensheid, en kunnen we onze planeet en onze toekomst redden. De belangrijkste vraag die we onszelf moeten stellen is: ‘Zijn we een goede voorouder?’.

De originele editie The Good Ancestor: How to Think Long-Term in a Short-Term World vind je terug op de website van de auteur en bevat achtergrondinformatie, indexes en videomateriaal.

Bibliografie
Krznaric, R. (2020) The Good Ancestor: How to Think Long-Term in a Short-Term World. New York: The Experiment. Link

Krznaric, R. (2021) De goede voorouder: Lange termijn denken voor een korte termijn wereld. Utrecht: VBK Media | Uitgeverij Ten Have. Link

De boom en het rizoom

Dit essay De boom en het rizoom handelt over een zoektocht naar het begrip van het eigen systeem van menselijk handelen. Samenleving enerzijds, overheid anderzijds, hun werking en rollen worden bekeken en als het ware ‘afgetast’ in het licht van onderdelen van het natuurlijke ecosysteem. Het gekozen vertrekpunt wordt daarbij gedaan dat de samenleving een rizoom is en de bureaucratie een boom.

Van der Steen et al. (2010, p. 3): “Een toenemend aantal problemen en vraagstukken waarvoor de overheid zich geplaatst ziet – of verantwoordelijk wordt gehouden – heeft het karakter van een ‘netwerkprobleem’: een groot aantal partijen is betrokken, met uiteenlopende waarden, visies en belangen, met een fragmentatie van macht en verantwoordelijkheid, zonder dat er één actor is die eigenstandig tot een oplossende interventie kan komen…

Van het openbaar bestuur, en van bestuurders, wordt verwacht dat zij er in slagen om op complexe dossiers voortgang te boeken en tot succesvolle interventie komen. De vraag is dan hoe, gegeven de complexiteit van de problematiek, overheidsorganisaties toch tot ‘beleidsrealisatie’ kunnen komen…

De zoektocht in dit essay is er vervolgens op gericht om sturingsprincipes te formuleren die wel passen in het contingentieprincipe en om daarbij ook weer te geven hoe dat organisatorisch in structuren en competenties invulling kan krijgen. Dat is temeer relevant, omdat wij tevens betogen dat het merendeel van de werkelijk knellende problematiek zich in dit deel van de samenleving bevindt: de meest urgente en knellende problemen zijn netwerkproblemen. De meest belangrijke en noodzakelijke sturing is netwerksturing.”

Op pagina 10 formuleren de auteurs: “Een rizoom is in letterlijke zin een veelal horizontaal vertakte wortelstructuur, die niet te herleiden is tot één hoofdtak of tot één plant aan de oppervlakte, maar bestaat uit ondergronds voortwoekerende worteltakken waartussen steeds nieuwe verbindingen kunnen ontstaan”, op pagina 11 gevolgd door: “Als we de samenleving voorstellen als een rizoom, begrijpen we hoe lastig het is voor overheden om samenlevingen te sturen of te ontwerpen. Ook begrijpen we dat een samenleving als een rizoom in staat is allerlei spontane verbindingen tot stand te brengen – aan de ene kant mooie innovaties op de arbeidsmarkt, maar aan de andere kant ook minder aangename ontwikkelingen zoals cybercrime of hedendaags terrorisme. Een samenleving is niet ontworpen, is geen organisatie, is niet logisch opgebouwd, is geen orgaan.”

Het essay is in mijn ogen, ik spreek als Wagenings bosecoloog, een vorm van beeldspraak die helpt om de complexiteit van de samenleving te beseffen, maar waarbij van vanuit principieel ecologisch oogpunt, met andere woorden vanuit het perspectief van het natuurlijk ecosysteem zelve de onderbouwing van de aannames van die beeldspraak wordt gemist. Met andere woorden, beschouwd vanuit de fundamentele wetenschap van de bosecologie, wellicht ook vanuit de trotse ‘persona’ van het bos zelve, is de onderbouwing van de gebruikte metaforen boom en rizoom een zaak voor nadere studie.

Interessant, dat moet gezegd, in dit betoog zijn de door de auteurs zelf gedefinieerde en geciteerde metaforen en daarbij gelegde associaties, met name omdat de verbinding met de natuur wordt gezocht als verklaring waarom zaken in de (openbare) besturing van de samenleving lopen zoals zij lopen.

Deze publicatie is één van die schaarse maar memorabele momenten in mijn ogen, waarin de bestuurskunde eindelijk lijkt terug te willen keren op het nest van waaruit zij ooit is uitgevlogen – op zoek naar vragen die zij maar niet beantwoord krijgt in de zoektocht naar de Heilige Graal van goed bestuur -, namelijk dat van de ecologie, van de wereld van Charles Darwin, Alexander von Humboldt, John Muir, Roelof Oldeman en Edward Wilson. De vraag evenwel is óf zij en, indien ja, onder andere welke condities en aannames de bestuurskunde wordt toegelaten. Dat wordt toch spannend, omdat zij op onderdelen vervreemd is geraakt van het ecosystemisch aspect van openbare besturing. Het essay illustreert de eerste tekenen van inzichten en verlangens hiertoe. Dat is mooi.

Dit voortreffelijke en frisse essay ademt impliciet het verlangen uit om terug te willen keren op het nest van haar moederwetenschap, de ecologie, op zoek naar antwoorden. Ik weet niet of de auteurs zich hiervan bewust zijn. Dat geeft ook niet. Het essay opent in elk geval nieuwe deuren voor onderzoek om te begrijpen wie wij zijn en waartoe wij op aarde zijn.

Bibliografie
Steen, M. van der, Peeters, R. en Twist, M. van (2010) Overheidssturing in een Netwerksamenleving. Den Haag: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

The Lonely City: Adventures in the art of being alone.

What does it mean to be lonely? How do we live, if we’re not intimately engaged with another human being? How do we connect with other people? Does technology draw us closer together or trap us behind screens?

“Loneliness, I began to realise, was a populated place: a city in itself. And when one inhabits a city, even a city as rigorously and logically constructed as Manhattan, one starts by getting lost”

When Olivia Laing moved to New York City in her mid-thirties, she found herself inhabiting loneliness on a daily basis. Fascinated by this most shameful of experiences, she began to explore the lonely city by way of art. Moving fluidly between works and lives – from Hopper’s Nighthawks to Warhol’s Time Capsules, from Henry Darger’s hoarding to David Wojnarowicz’s AIDS activism – Laing conducts an electric, dazzling investigation into what it means to be alone.

“Loneliness is personal, and it is also political. Loneliness is collective; it is a city. As to how to inhabit it, there are no rules and nor is there any need to feel shame, only to remember that the pursuit of individual happiness does not trump or excuse our obligations to each another. We are in this together, this accumulation of scars, this world of objects, this physical and temporary heaven that so often takes on the countenance of hell. What matters is kindness; what matters is solidarity. What matters is staying alert, staying open, because if we know anything from what has gone before us, it is that the time for feeling will not last.” 

About the feeling many of us will know or recognise, that of being the individual, the citizen or the inhabitant, and seeking connection with the city, with that larger Ecosystem City®, Laing formulates precise:

“Imagine standing by a window at night, on the sixth or seventeenth or forty-third floor of a building. The city reveals itself as a set of cells, a hundred thousand windows, some darkened and some flooded with green or white or golden light. Inside, strangers swim to and fro, attending to the business of their private hours. You can see them, but you can’t reach them, and so this commonplace urban phenomenon, available in any city of the world on any night, conveys to even the most social a tremor of loneliness, its uneasy combination of separation and exposure.”

Humane, provocative and moving, The Lonely City is a celebration of a strange and lovely state, adrift from the larger continent of human experience, but intrinsic to the very act of being alive. Read more at Canongate Books.

Bibliography

Laing, Olivia (2016) The Lonely City: Adventures in the heart of being alone. Edinburgh: Canongate Books Ltd.

Rise of the DEO: Leadership by design

Cover picture Rise of the DEO.

This book puts leadership in the context, recognized within public governance challenges. The DEO – Design Executive Officer – as described by Giudice and Ireland has many connections with that of mayors, aldermen and city managers who constantly act on the edge of design and dynamics. Design can be considered as a core competence. This book is in this context a complete breath of fresh air and brings recognisable new perspectives on leadership. Public leaders could be inspired by this book.

“This book identifies and explores the qualities of a new breed of leaders. The book lays out–graphically and through example–how DEO’s run their companies and why this approach makes sense today. We help readers identify skills in themselves and their colleagues, and we guide them in using these skills to build, revive, or reinvent the next generation of great companies and organizations. Leaders who understand the transformative power of design and embrace its traits and tenets can command in times of change. We call these leaders DEO’s and they are our new heroes.”

MARIA GIUDICE AND CHRISTOPHER IRELAND.

Giudice and Ireland bring forward six characteristics of a DEO, which are brought forward many times in books of leadership but in this book placed in a new surprising context. DEO’s are:

  • Change agents: not troubled by change.
  • Socially Intelligent: high social intelligence.
  • System thinkers: systems thinkers who understand the interconnectedness of their world.
  • Intuitive: highly intuitive, either by nature or through experience.
  • Risk takers: embrace risk as an inherent part of life and a key ingredient of creativity.
  • GSD: “gets shit done.” (i.e. they make things happen).

“Businesses and governments have discovered the power of a creative mind to effect change and produce value. Experts note that CEO’s who possess a design sensibility—or trust others who do—are best suited to thrive in a changing world. Yet not until Rise of the DEO has anyone captured the true potential of a design-oriented thinker at the highest level of an organization. Maria Giudice and Christopher Ireland have written a seminal work that will transform the role of the designer and the pace of innovation. This book is a must read.”

RICHARD GREFÉ, EXECUTIVE DIRECTOR OF AIGA.

Listen to an interview with Maria Giudice by Debbie Millman. For more information, please visit riseofthedeo.com

Bibliography

Giudice, M. and C. Ireland (2013) Rise of the DEO: Leadership by Design (Voices That Matter).